Urologie Sint-Truiden Rotating Header Image

Peniskanker

 

 

7.10.3.

Penis

 

  1. 1.   Inleiding

 

In West-Europa komt peniskanker weinig voor in vergelijking met bv. Zuid-Amerika. Voorbeschikkende factoren zijn: fimosis, chronische balanitis, gebrekkige hygiëne en human papilloma virus 16 en 18 alsook PUVA voor psoriasis.

Er zijn premaligne letsels gekend nl. de erythroplasie van Queyrat en de ziekte van Bowen. Anatomopathologisch betreft het een squameus celcarcinoma, waarvan het verruceus carcinoma de goed gedifferentieerde variant is. Peniskanker metastaseert via de lymfebanen en metastasen op afstand zijn zeldzaam. Eerst worden de oppervlakkige inguinale klieren aangetast, dan de diepe en dan de iliacale klieren. Van zodra er klierinvasie is in het iliaca-gebied wordt de ziekte als gemetastaseerd beschouwd.

Palpabele inguinale klieren komen bij de diagnose frequent voor in verband met inflammatoire veranderingen.

2.  TNM classificatie peniscarcinoom (2002)

 

Primaire tumor

Tis   carcinoma in situ

Ta    niet invasief verruceus carcinoma

T1    invasie subepitheliale bindweefsel

T2    invasie corpus cavernosum

T3    invasie urethra of prostaat

T4    invasie naburige structuren

Regionale lymfeklieren

N0   geen lymfeklieren

N1   solitaire inguinale lymfeklier

N2   multipele of bilaterale oppervlakkige lymfeklieren

N3   diep inguinale of bekken lymfeklieren (uni- of bilateraal)

 

Metastasen op afstand

M0   geen metastasen

M1   metastasen

3.  Diagnose en staging

1.  Primaire tumor
Klinisch onderzoek, echografie of MRI i.v.m. eventuele invasie van de corpora cavernosa; wigbiopsie voor anatomopathologische diagnose

2.  Regionale klieren
Klinisch onderzoek en echografie routine. In geval van kliervergroting eventueel echografisch geleide punctiebiopsie, vroege behandeling met antibiotica of klierresectie voor APO.
CT scan van het bekken om eventuele iliacale lymfeklieraantasting aan te tonen.

3.  Metastasen op afstand
Abdominale CT, CT thorax, botscan en PET scan op indicatie

4.  Behandeling

Primaire tumor

1.  Premaligne letsels: conservatieve behandeling (laser, lokale resectie, glandectomie)

2.  Ta-1 G1-2: conservatieve chirurgie, lokale resectie, glandectomie, partiële amputatie.
Brachytherapie voor beperkte letsels (gekende moeilijkheden i.v.m. opvolging en 30% urethrastenose)

3.  T1G3 of ³ T1: partiële of totale amputatie of emasculatie

In geval van niet palpeerbare regionale lymfeklieren

1.  Laag-risico patiënten (pTis, pTa G1-2, pT1G1): watchful waiting met klinisch onderzoek en echografie vooral van de lies en klierresectie indien kliervergroting optreedt.

2.  Hoog-risico patiënten (pT³2 of G3): oppervlakkig liesklierevidement met vriescoupe, indien positief à diep liesklierevidement.

3.  Intermediaire risicogroep (pT1G2 met vaat- of lymfatische invasie): individueel te belissen maar in ieder geval zeer strenge opvolging.

N.B. Sentinel lymfeklierbiopsie met radioactief technetium en isosulfan blauw indien de techniek beschikbaar is.

In geval van palpeerbare klieren

Indien er klinische of echografische argumenten zijn dat het om inflammatoire klieren gaat, kan behandeld worden met antibiotica en stricte follow-up. In geval van bioptisch bewezen positieve klieren: lymfadenectomie.

Eerst bilateraal iliacaal klierevidement met vriescoupe.

à indien positief: inguinale lymfeklierresectie, geen dissectie.

à indien negatief: oppervlakkige en diepe inguinale lymfadenectomie.

Geen indicatie voor primaire radiotherapie. Wel adjuvante radiotherapie als de chirurgie voor loco-regionale aantasting twijfelachtig is of tekortschietend (marginale resecties met klierkapseldoorbraak).

In sommige gevallen zal een hygiënische lymfadenectomie noodzakelijk zijn om lokale hygiënische redenen.

Metastasen op afstand

Chemotherapie (platinum, 5 FU, vincristine, metotrexaat, bleomycine, irinotecan).

5.  Follow-up

 

Patiënten zijn soms moeilijk op te volgen wegens een gebrek aan compliance. Klinisch onderzoek, echografie van de liezen en zonodig CT van de buik en RX thorax zijn keuze onderzoeken. Lokale recidieven zijn na chirurgie extreem zelden en na radiotherapie veelal moeilijk te diagnosticeren.

Frequentie van opvolging: 4-maandelijks voor 2 jaar, dan 6-maandelijks voor het derde jaar, vervolgens jaarlijks.

Share

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>